Proloog
Bekentenis
Ik ben een dik mens. Ik ben een kolossaal mens. Een onaangenaam mens. Een mens waar niet plezierig is naar te kijken, zegt men — men zegt het niet tegen mij, men zegt het over mij, twee stappen achter mijn rug, precies klinkend genoeg om het te horen, want daar gaat het om, dat ik het hoor, dat ik weet dat zij weten dat ik het hoor.
Toen ik tenger was, keek men dwars door mij heen. Begrijp je dat? Ik bestond niet. Ik was verloren in de menigte, zoals een regendruppel onherkenbaar is in een regenbui, één van de massa, vervangbaar, onzichtbaar — en o, wat heb ik die onzichtbaarheid verdoemd, en o, wat zou ik er nu voor geven om haar terug te krijgen. Want zie, dat is de absurde scherts, de kosmische ironie waar niemand om lacht, ware het niet de Opperbouwmeester zelf misschien, op een slechte dag: ik ben nu níét meer in de vergetelheid.
Ik val op. Vroeger, in een barmhartiger eeuw — nee, wat zeg ik, in een eerlijker eeuw — had men mij in een tent gezet, bij het circus, tussen de vrouw met de baard en de man zonder armen, en had men entree geheven. Nu is de chapiteau afgeschaft en het circus overal. De wereld zelf is de piste geworden en ik ben, zonder gage, zonder convenant, zonder dat iemand mij ooit iets gevraagd heeft, de pièce de résistance.
Iedere stap die ik buiten de eigen muren zet is er één van angst. Jij denkt dat ik overdrijf? Natuurlijk denk je dat; jij bent immers een rationeel mens, en wie de wereld rationeel bekijkt, denkt al snel dat haar absurditeit wordt overdreven door hen die haar werkelijk ondergaan. Maar ik reken, zie je? Iedere ochtend reken ik. Hoeveel zullen het er vandaag zijn? Wie stoot wie aan? Wat zullen ze zeggen — het oude repertoire, ik ken het uit mijn hoofd, ik zou het kunnen dirigeren: moet je zien wat daar loopt — kolere, die is echt dik — en dan dat schamperlachje, die cynische grijns die voor beschaafd doorgaat omdat hij zo zoetsappig is.
Soms, heel soms, vertel ik iemand mijn verhaal. Hoe ik zo geworden ben. En dan luistert zo iemand, en knikt, en begrijpt — vijf minuten lang begrijpt hij alles. Maar men kan niet iedere dag aan honderd vreemden zijn leven staan ontrafelen op de hoek van de straat. Daarom schrijf ik mijn verhaal op.
Eén keer.
Voor jou.